‘You are my person’

Nu je tegenover me aan tafel zit, met je schouders omhoog alsof je een streep door de tijd wil verbeelden, denk ik aan hoe we voor het eerst samen een fles bessenjenever leeg dronken. Aan het slingeren op de fiets en de bescheiden mate van avontuur die ons paste: plassen in voortuinen. Tegen jongens zeggen dat we een voorkeur voor meisjes hadden. Met de fiets door de McDrive.

De eerste keer dat ik het erop waagde zei ik het in het Duits. Ich liebe dich. Alsof de taal er dan ten minste tussen zat, het Duits dat zich uitstekend leende om er in geval van nood een grapje van te maken. Maar ik wist vanaf de eerste dag dat ik het deed: van je houden. Er bleken veel nodeloos ingewikkelde manieren om dat tegen je te zeggen. Door televisieseries op een specifiek moment op pauze te zetten, bijvoorbeeld. Of door de jongen die bij je bleef slapen, hoofdschuddend af te keuren.

Op zoek naar een antwoord op de vraag waar het is misgegaan raak ik alleen maar verstrikt in momenten waarop het verre van misging, momenten van toenadering. Waren we in al die cafés waar het zweet vanaf de discobollen op onze blote schouders drupte en we drankjes bestelden die de barmannen verveeld in brand staken niet vooral heel stuntelig op zoek naar elkaar?

En opeens zitten we aan een tafel met zo min mogelijk woorden te concluderen dat het niet gelukt is. Zou een mens ooit nog aan een ander durven beginnen als hij alles van te voren wist? Of zouden we het dan wel uit ons hoofd laten.

In elk geval zijn we nu voor één keer eens niet omslachtig. Zeggen iets niet meer te willen is minstens net zo dapper als eraan beginnen, houd ik mezelf voor. ‘Dan ga ik nu maar eens.’ Even lijken we samen te wachten op iemand die ‘cut’ roept, improvisatietheater, of een moeder die zegt nou meisjes, wat is hier nu allemaal aan de hand, komen jullie eens even rustig zitten. Maar niemand zegt iets en ik kijk naar hoe je in de auto stapt. Wie wil dat nou niet, dapper zijn.